Gedachten bij Ootjes jonge jaren, deel 2

Stemmen uit het verleden

Na alles wat er al gezegd en geschreven is over het tweede deel van Ootjes jonge jaren is aan mij de vraag gesteld dat ook te doen, maar dan vanuit een wat meer beschouwelijke en persoonlijke invalshoek. Ik zal mijn best doen. De vraag was wellicht beter op z'n plaats geweest na verschijning van het al aangekondigde derde deel.

Uiteraard hebben we hier te maken met een standaardwerk. Dat kan zondermeer gesteld worden - zelfs al is het derde deel er nog niet. Het bijzondere is wel dat de onderwerpen zelf aan het woord zijn. Mensen van vlees en bloed, waar in andere gevallen meestal over wordt geschreven, komen nu zelf volop aan het woord. Ze vertellen hun eigen geschiedenissen, subjectieve verhalen waarin hun eigen beleving en gevoel bepalend is. Dat kan een beetje gevaarlijk zijn. Ieder heeft zo zijn eigen beleving. Er zijn echter meer dan genoeg verhalen om zich een goed algemeen beeld van die verloren tijd voor de geest te halen. Het grote voordeel is ook dat er gelegenheid is tot inleving door de lezer, die er dan direct het zijne van mag denken. Als wij hun verhalen horen, is het alsof die direct aan ons zijn gericht. Stemmen uit het verleden, sprekend nadat zij (in veel gevallen) gestorven zijn.

Mentaliteitsgeschiedenis

Dit tweede deel is, evenals het eerste, om die reden een unieke illustratie bij het geschiedenisverhaal van onze dorpen. Dat niet alleen; het is belevingsgeschiedenis, of - zoals dat officieel heet - mentaliteitsgeschiedenis. Hoe dachten, voelden en beleefden die mensen toen hun wereld. En wat voor sfeer had die verleden tijd van toen.
Het tijdvak waarover de verhalen vooral gaan strekt zich volgens de ondertitel van het boekwerk uit van 1910 tot 1960. Er zijn uitschieters naar een verder verleden en naar een meer nabij verleden. Voor veel oudere lezers betekent de beschreven tijdsperiode in de eerste plaats herkenning. Zij hebben tóen immers bewust geleefd. Voor jongere lezers zal die herkenning er uiteraard minder zijn. Als het goed is, zou de herkenning - naarmate de lezers jonger worden - plaats moeten maken voor meer en meer verbazing. Persoonlijk zit ik, geboren in 1960, daar tussenin.

Er komen op de vele plaatjes verschillende gezichten langs die ik nu herken, maar waarvan ik me niet meer bewust was. Vergeten gezichten en beelden komen weer boven in de herinnering. Dat geldt ook voor de vergeten sfeerbeelden, die uit de vele foto's spreken en die ik me ook nog vaag herinner. Eigenlijk zouden er ook geuren en geluiden bij het boek geleverd moeten worden om al de herinneringen nog levendiger te laten zijn. Aan de laatste resten van het eeuwenoude, maar ten dode opgeschreven dorpsbestaan, heb ik nog geroken. En om dat door deze tot nu toe uitgekomen twee boeken weer te ruiken is voor mij de charme van hun inhoud. Ik zie weer die oude houten visschuren aan de haven, kleine rokerijen die nog dienst deden, met overal vislucht in allerlei reukschakeringen. Ik zie weer die volle hooiwagens door de Dorpsstraat gaan; een span paarden dat er twee achter elkaar voorttrok. De vele melkbussen op de stoep. Oude en bejaarde mensen die hun laatste jaren achter keukengordijntjes sleten. De geur van een petroleumstel. En nog zoveel meer.

'Riegsters an de bak' in de buitenlucht bij de Oude Haven, circa 1930. V.l.n.r. Teuntje Muijs-Muijs, Maria Hopman-Vermeer, Francijntje Koelewijn, Neeltje van de Vuurst-Muijs, Klaasje Muijs-de Graaf en Hendrikje de Graaf-Muijs. De man rechts is Jacob Muijs.

'Riegsters an de bak' in de buitenlucht bij de Oude Haven, circa 1930. V.l.n.r. Teuntje Muijs-Muijs, Maria Hopman-Vermeer, Francijntje Koelewijn, Neeltje van de Vuurst-Muijs, Klaasje Muijs-de Graaf en Hendrikje de Graaf-Muijs. De man rechts is Jacob Muijs.

Van voorbijgaande aard

Ik was me als kind er niet bewust van dat dat alles voorbij zou gaan. Het tijdvak 1910 tot 1960 is een periode van overgang geweest. Er was oud naast nieuw. Dat realiseer ik me nu des te meer. De verschillen tussen toen en nu zijn enorm. Het eerste wat me opvalt was wel de moeite van het bestaan. Wat hebben al die mensen toen moeten werken en zwoegen, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, in kou en weer en wind, op zó jonge leeftijd en voor zo weinig gewin. Ze konden niet anders en moesten wel. Wat waren ze vindingrijk, gewiekst, ja leep soms, om van alles voor elkaar te krijgen, zogezegd te 'begaggelen', vooral toen vanaf 1900 de Zuidezeevisserij minder begon te worden. Ze waren letterlijk de hele dag in touw voor hun natje en droogje. Nu snap ik waarom sommigen zich bepaalde overvloedige maaltijden van vroeger kunnen herinneren, terwijl ik zelf nauwelijks nog weet wat ik eergisteren heb gegeten.
Met zo'n leven was er simpelweg weinig of geen ruimte om iets te doen aan wat de socialisten 'volksverheffing' noemden, de algemene ontwikkeling. Om die reden komt er uit het boek ook een beeld naar voren van soms weinig subtiele en gevoelloze primitiefheid. Alleen met hard en volhardend werken was het bestaan te dragen. Ik herinner me een bevolkingsonderzoek dat destijds is uitgevoerd (en waarover ik ooit ergens heb gelezen) om te zien of een bedrijf als Polynorm in het dorp gevestigd kon worden, dat in niet mis te verstane bewoordingen hetzelfde beeld geeft. Geen wonder dat lezen als een vorm van luiheid werd versleten. Trouwens, wie is in het bezit van het genoemde onderzoek?

Samen overleven

Daar staat tegenover een geweldig grote gemeenschapszin. Het was overleven, maar dan wel samen overleven. In het boek staan verschillende staaltjes van goedgeefsheid tegenover mensen die buiten hun eigen schuld in armoede waren geraakt, zonder dat dat die mensen reden tot schaamte gaf, zoals dat met de diaconiecenten wel het geval was. De armoede was wijd verspreid. Ik heb het idee dat die na 1900 is toegenomen. Op een gegeven moment kreeg in Spakenburg ruim 18 procent van de huishoudens steun, waaronder ook de Zuiderzeesteun gerekend moet worden. Aan de algemene armoede is pas na de Tweede Wereldoorlog een einde gekomen, toen de sociale wetgeving breed werd ingevoerd. En juist die periode waren de jaren waarin ootje nog jong was. Het zal ook wel niet altijd allemaal koek en ei zijn geweest. Zoals een overleden oudtante van mij, 'Grietje van Rik', me ooit eens zei: "Tussen arrem en riek was een groot versjil, mor tussen arrem en arrem was 'et versjil nog veul groter." Die 'goeie ouwe tijd' heeft uiteraard nooit bestaan.

Een reeks diaconiehuisjes in de Hoekstraat, bestemd voor mensen met een zeer laag inkomen.

Een reeks diaconiehuisjes in de Hoekstraat, bestemd voor mensen met een zeer laag inkomen.

Maar dat wil niet zeggen dat geen eerlijke vergelijking met het heden gemaakt mag worden. De vragen die daarbij horen, worden niet zo vaak gesteld in het geschiedenisvak. Elke tijd moet immers beoordeeld worden binnen zijn eigen grenzen. Maar waarom mogen we ons niet afvragen in welke tijd, toen of nu, de mensen in Bunschoten en Spakenburg eerlijker of waarachtiger leefden. Het zal niet altijd even gemakkelijk zijn daarop een even eerlijk of waarachtig antwoord te geven. Anderen mogen hierop reageren.
Toen leefde men in een overlevingscultuur, vaak op de rand van het bestaan. Armoede en de bijbehorende oneer lagen op de loer. Men maakte zich zorgen over het blote bestaan, wat er de volgende dag op tafel zou staan. Of overdrijf ik nu? Nu leeft men in een zogeheten belevingscultuur, waarin genieten het eerste en belangrijkste is, waarin luxeproblemen, waarvan men toen niet de minste voorstelling had, ons zogenaamde zorgen baren, en waarin gebrek aan status oneer is en waarin men zich afvraagt eventueel voor de vierde keer per jaar op vakantie te gaan.
Alleen al om die reden zou het goed zijn dat jongere mensen eens een blik werpen in die verre spiegel van het verleden. Zo gewoon is het leven niet!

Willem Ruizendaal, tel. 298 75 77